Sneeuwpoppen in Amsterdam

Sneeuwpoppen in Amsterdam

Sneeuw kun je zien als neerslag die bestaat uit ijskristallen. In de Benelux valt gemiddeld op ongeveer 30 dagen per jaar sneeuw, maar er gaan jaren voorbij zonder sneeuwval die er echt toe doet. De hoeveelheden zijn er bovendien gemiddeld klein vanwege het ontbreken van stuwingsneerslag. Anders is dit bijvoorbeeld in een gebied als het Kleinwalsertal in Oostenrijk of Oregon in het noordwesten van de Verenigde Staten. In dat laatste gebied zijn sneeuwhoogtes van vijf meter geen uitzondering. Wel kunnen boven de Noordzee boven het relatief warme zeewater makkelijk zware sneeuwbuien ontstaan die bij een noordelijke stroming met name op de Waddeneilanden buitengewoon forse hoeveelheden sneeuw kunnen achterlaten, zoals in 1987 op Terschelling.

Bij temperaturen onder het vriespunt vormt sneeuw zich wanneer waterdamp tot ijskristallen verrijpt zonder tussenvorm van waterdruppels. Dit proces vindt vooral plaats tussen -5 en -20 °C en optimaal bij een temperatuur rond -12 °C. Bij deze waarde is het verschil in de dampdruk ten opzichte van water en ijs het grootst en gaan watermoleculen van onderkoelde waterdruppels naar vrieskernen. Deze vrieskernen dienen als een soort katalysator en brengen de bevriezing versneld op gang. Door botsingen onderling en op de weg naar beneden groeien deze ijsdeeltjes geleidelijk aan tot sneeuwkristallen. Deze kunnen allerlei vormen hebben, maar ze zijn altijd zespuntig (hexagonaal), zoals goed te zien is op foto’s die amateurwetenschapper Wilson Bentley al in 1902 maakte.

Wanneer het waait, klitten de sneeuwkristallen, vaak in de vorm van sterren, op hun weg naar de aarde samen en vormen een vlok. Zo’n vlok bestaat uit wat ijs en heel veel lucht tussen de ijsnaaldjes, zo ongeveer als een kussen vol veren met lucht ertussen. Vlokken zijn onregelmatig, klein of groot, maar wanneer het windstil is, dwarrelen ze één voor één naar beneden. Vlokken vormen zich met name in voldoende vochtige lucht die niet al te koud is. Bij vrij lage temperaturen in drogere lucht vallen dikwijls losse sneeuwkristallen. In de poolstreken komt dit vaak voor.

Overlast

Sneeuw kan voor overlast zorgen, niet alleen door gladheid maar vooral bij natte sneeuw ook door vermindering van het zicht. Tijdens zware sneeuwval neemt het zicht sterk af, vergelijkbaar met mist. Met name de eerste sneeuw van het seizoen of plotselinge sneeuwbuien leveren problemen op. Tijdens periodes met herhaaldelijk sneeuw en winterse buien is de weggebruiker eraan gewend en past het verkeer zich aan. Grote hoeveelheden sneeuw op de weg kunnen worden bestreden met behulp van sneeuwschuivers.

Sneeuw veroorzaakt de grootste problemen wanneer de neerslag valt bij vorst, vooral bij matige tot strenge vorst. Als het dan ook hard waait, gaat de sneeuw stuiven en ontstaan sneeuwduinen. Wanneer in Nederland sneeuw wordt verwacht bij windkracht 6 of 7 geeft het KNMI een weeralarm uit voor sneeuwjacht. Bij windkracht 8 of meer en sneeuw geldt een weeralarm voor sneeuwstorm. Ook bij aanhoudend zware sneeuwval met op grote schaal meer dan 5 cm per uur en een vers sneeuwdek van ten minste 5,5 cm wordt een weeralarm uitgegeven. Zulke omstandigheden zijn gevaarlijk voor het verkeer en leiden tot grote overlast. Sneeuw zelf is niet glad, maar wordt door het verkeer tot glad ijs gereden.

Op hellingen kan de sneeuwlaag in beweging komen en lawines veroorzaken die grote schade kunnen veroorzaken.

Als er veel sneeuw valt, kunnen daken van gebouwen het soms begeven door de sneeuwbelasting.

Dichtheid

De dichtheid van verse sneeuw bedraagt circa 100 kg/m3; de waarde hangt sterk af van de hoeveelheid lucht die tussen de ijskristallen aanwezig is oftewel de mate waarin de sneeuw samengedrukt is. Wanneer de sneeuw platgetrapt of platgereden is, is de dichtheid veel hoger. Door de tijdelijke druk kan de sneeuw even smelten en weer bevriezen, waardoor de dichtheid kan oplopen tot die van solide ijs: 917 kg/m3 bij 0 °C. Dat is nog steeds minder dan dat van water: 997 kg/m3 bij kamertemperatuur. Een vuistregel is dat 1 eenheid regen gelijk is aan 8 eenheden sneeuw, dat wil zeggen dat er voor 1 cm sneeuw 1,25 mm regen nodig is. Sneeuw heeft tevens een geluiddempende werking. Bron: Wiki

vrijetijdamsterdam.nl

Lees ook: het is lekker vertoeven in de stad